Profiel: Lynn Margulis
Met haar betoog dat evolutie en het leven op aarde niet alleen om competitie draaien maar ook om samenwerking, stuitte de Amerikaanse biologe Lynn Margulis op veel scepsis. Maar bijna dertien jaar na haar dood is haar gedachtegoed populairder dan ooit.
Groene Amsterdammer, 14 augustus 2024
‘Jij bent toch Denis Noble?’ De hoogleraar fysiologie richt zich verwonderd op van zijn lunch en kijkt de vrouw die over zijn tafel gebogen staat in de ogen. Hij herkent haar van hun eerste ontmoeting een paar dagen eerder, in het najaar van 2008. Het is de Amerikaanse biologe Lynn Margulis, die pas is aangesteld als gastprofessor aan zijn universiteit in Oxford. ‘Ja, klopt, ik ben Denis Noble.’
‘Mooi! Ik wil dat je een debat leidt tussen Richard Dawkins en mij.’
Het is Margulis ten voeten uit, blikt de inmiddels 87-jarige Noble terug in een videogesprek. ‘Heel direct. En enorm gedreven.’
Haar beoogde opponent heeft zich diezelfde dag ook door Margulis laten overrompelen, nadat die plots op zijn deur klopte. Richard Dawkins: evolutiebioloog en auteur van de bestseller The Selfish Gene (1976). Uithangbord van het neodarwinisme, de leer die stelt dat de evolutie en het ontstaan van soorten volledig drijft op willekeurige mutaties in dna en natuurlijke selectie van de eigenschappen die in dat dna vastgelegd liggen. Margulis trekt al sinds de jaren zeventig ten strijde tegen dat dogma, dat in haar ogen niet alleen onwaar is, maar ook schadelijk. Zij betoogt dat Dawkins en zijn kompanen een belangrijk fenomeen in de evolutie over het hoofd zien, namelijk de netwerken waarin organismen interacteren en de samenwerkingen die ze daarbinnen aangaan. Oftewel: symbiose.

En dan hebben we het niet alleen over organismen die elkaar nodig hebben, zoals de schimmel en de alg of blauwalg in een korstmos, of de bacteriën in onze darmen die een deel van onze spijsvertering voor hun rekening nemen. Nee, symbiose kan zelfs leiden tot het ontstaan van nieuwe soorten, wanneer verschillende organismen ‘samensmelten’: symbiogenese. Voor voorbeelden daarvan hoef je niet ver te zoeken: plantencellen bevatten minuscule zonnecelletjes, bladgroenkorrels, die energie opwekken uit zonlicht. Deze zonnecelletjes bewogen zich miljarden jaren geleden als cyanobacteriën vrij door de omgeving en werden toen opgenomen door andere cellen.
En dichterbij: de cellen waaruit alle diersoorten, planten en schimmels zijn opgebouwd, bevatten energiefabriekjes waar suikers en vetzuren worden afgebroken en hieruit met behulp van zuurstof energie wordt vrijgemaakt. Deze mitochondriën, aldus Margulis, waren in een ver verleden los voorkomende bacteriën, die werden opgeslokt door andere eencelligen en vervolgens gewoon doorgingen met waar ze mee bezig waren. Deze symbioses stonden aan de basis van het ontstaan van complex meercellig leven.
Het debat tussen de twee kemphanen zal plaatsvinden in mei 2009, twee jaar voordat Lynn Margulis op 73-jarige leeftijd aan een beroerte zal komen te overlijden. De focus van het twistgesprek ligt op de vraag of natuurlijke selectie het ontstaan van alle nieuwe soorten verklaart, zoals Dawkins betoogt, of dat zoals Margulis stelt vooral in de vroege fasen van de evolutie, het samengaan van verschillende organismen en daarnaast ook het uitwisselen van genetisch materiaal de hoofdrol speelde.
Op het eerste gezicht lijkt het debat een typische wetenschappelijke discussie. Maar wie uitzoomt, ziet een strijd tussen wereldbeelden, waarvan het ene – dat van de zelfzuchtige genen, individualisme en keiharde competitie – de afgelopen decennia heeft overheerst. Het andere, samenwerkingsgerichte wereldbeeld plaatste Margulis daar lijnrecht tegenover. Zij zag het bovendien niet alleen als een verklaring voor haar observaties, maar bracht haar ‘symbiotische wereld’ ook als een opdracht aan de mensheid om deze niet te verwaarlozen.
Voor zowel haar wetenschappelijke als maatschappelijke ideeën waren de geesten nog niet rijp: ze stonden te ver af van de mainstream en gingen in tegen de stellige overtuiging van de belangrijkste wetenschappers en denkers van die tijd. De laatste jaren echter wint dit symbiotische wereldbeeld aan terrein. Economische en ecologische crises hebben de zwakheden blootgelegd van het individualisme en het op competitie geënte neoliberale model. Het is onhoudbaar geworden om de aarde simpelweg te blijven beschouwen als een vat vol natuurlijke bronnen en grondstoffen waaruit de mensheid ongebreideld kan putten.
Hedendaagse denkers als de Australische filosoof en milieuactivist Glenn Albrecht, de Amerikaanse filosoof en bioloog Donna Haraway en de Nederlandse filosoof Jos de Mul pleiten op basis van Margulis’ gedachtegoed voor het weer omarmen van onze samenwerkingen met de natuur, een afscheid van het destructieve ‘antropoceen’ en een terugkeer naar een op een gezonde balans gericht ‘symbioceen’.
Zelf stelde de eigenzinnige Margulis haar visie graag voor als een vrouwelijk, zacht alternatief voor het door mannelijke collega’s gepropageerde zelfzuchtigheidsmodel. Ze vergeleek het ook met iets anders, vertelt Jos de Mul. ‘Het competitiemodel stond voor de Verenigde Staten versus het meer coöperatieve in de Sovjet-Unie – wat in die tijd een deel van de weerstand tegen haar ideeën zou kunnen verklaren.’
Maar dat was niet het enige. Margulis kon alle kanten op schieten met haar ideeën. Daarbij had ze door haar stelligheid en tegendraadsheid moeite de grenzen van haar theorie in te zien en maakte die haar gevoelig voor omstreden ideeën buiten haar expertise. De jaren voor haar dood toonde ze zich aanhanger van alternatieve theorieën over onder meer de aanslag op de Twin Towers in 2001 en het ontstaan van aids. Wie was deze vrouw, wat is haar erfenis en waarom is die dertien jaar na haar dood zo populair?
Lynn Margulis wordt in 1938 in Chicago in een vooraanstaande joodse familie geboren als Lynn Petra Alexander. Op haar veertiende gaat ze studeren aan de Universiteit van Chicago en op haar negentiende behaalt ze haar bachelordiploma in de vrije kunsten. Vervolgens begint ze aan een studie biologie en nog voor ze haar proefschrift heeft kunnen afmaken, heeft de gepassioneerde verteller al een onderzoeks- en onderwijsbaan aangeboden gekregen. In 1957 trouwt de zelfverklaard agnost met sterrenkundige en wetenschapspopularisator Carl Sagan, van wie ze na een ongelukkig huwelijk zeven jaar later scheidt – Sagan bleek nogal een akelige man en verlangde van haar dat ze het volledige huishouden deed. Van haar tweede man, chemicus Thomas Margulis, scheidt ze in de jaren tachtig. Met Sagan samen kreeg ze twee zoons, met Thomas Margulis een zoon en een dochter.
Tijdens haar promotieonderzoek begin jaren zestig aan Berkeley begint Margulis een in verval geraakte theorie te bestuderen over het ontstaan van onderdelen van cellen, organellen, zoals de mitochondria en het endoplasmatisch reticulum. In de negentiende eeuw hadden wetenschappers geopperd dat die organellen ooit losse eencellige organismen waren geweest. Bewijs hiervoor was nooit geleverd. In 1966 gebeurt er iets opmerkelijks: microbioloog Kwang Jeon bestudeert in zijn lab aan de Universiteit van Tennessee amoeben, eencellige wezens, wanneer die per ongeluk door bacteriën besmet raken. De meeste overlijden, maar enkele overleven, met de bacteriën erin. Hij blijft de amoeben de jaren erna bestuderen en ontdekt tot zijn verbazing dat ze voor hun overleving afhankelijk geworden zijn van de bacteriën: die hebben de productie overgenomen van een vitaal eiwit. Het is een voorbeeld van endosymbiose, een symbiose waarbij een organisme tussen of zelfs in de cellen van een gastheer leeft. En van ‘arbeidsdeling’ zoals die in het ontstaan van meercellige organismen ook optrad tussen verschillende cellen.
In datzelfde jaar 1966 schrijft Lynn Margulis een voor die tijd baanbrekend wetenschappelijk artikel waarin ze de oude ideeën over symbiogenese koppelt aan nieuwe inzichten over de structuur en genetische eigenschappen van eencelligen. Zo verklaart ze de herkomst van cellen die hun dna hebben opgeborgen in een celkern, de zogeheten eukaryoten. Hartelijk ontvangen wordt het tientallen pagina’s tellende artikel niet: het gaat te zeer in tegen de heersende opvattingen over evolutie. Na vijftien afwijzingen van wetenschappelijke tijdschriften verschijnt het uiteindelijk in maart 1967, in het Tijdschrift voor theoretische biologie.
Binnen de biologie domineren in die tijd de neodarwinisten, de vertegenwoordigers van een wetenschappelijke stroming die ontstond aan het einde van de negentiende eeuw. Het neodarwinisme combineert de ideeën van Charles Darwin over natuurlijke selectie en het ontstaan van soorten met die van Gregor Mendel over de erfelijkheid van eigenschappen vastgelegd in ‘genen’.
In de loop van de twintigste eeuw werd deze ‘moderne synthese’ steeds verder uitgebreid met nieuwe kennis over dna. De neodarwinisten waren ervan overtuigd dat de evolutie van organismen en het ontstaan van nieuwe soorten volledig te verklaren zijn aan de hand van willekeurige veranderingen die ontstaan in het dna, en de natuurlijke selectie van de eigenschappen die het gevolg zijn van die veranderingen. De zichzelf reproducerende genen staan centraal, alles eromheen vormt slechts vehikels.
En nu komt deze vrouw ineens aan met een heel andere verklaring, die juist op die interacties en samenwerkingen focust? Wat de neodarwinisten betreft is de theorie overbodig en is er geen bewijs voor. Maar Margulis geeft niet op, ze zal in de decennia erna experimenteel bewijs blijven verzamelen en haar betoog aanscherpen. Dat onderzoek voert ze op geheel eigen wijze uit. Ze maakt geen gebruik van grote onderzoeksbudgetten en imposante technieken, ze gaat simpelweg lokale slootjes en meertjes in om monsters van microben te verzamelen en vervolgens onder de microscoop te bestuderen.

Ook in het verspreiden van haar ideeën gaat ze onorthodox te werk. Ze spreekt niet alleen op academische congressen en publiceert niet alleen in wetenschappelijke tijdschriften, maar schrijft, alleen en met haar zoon Dorian Sagan, tientallen boeken. Een flink aantal hiervan is gericht op een breed publiek en betreft zelfs kinderboeken, zoals het Microcosmos-kleurboek.
Terwijl een groot publiek zo langzaam bekend raakt met haar ideeën over evolutie, blijft de oppositie onder vakgenoten ertegen groot. Lynn Margulis mag haar theorie dan als ‘vrouwelijk’ getypeerd hebben, de suggestie dat de tegenstand een vorm van seksisme is, wijst ze ferm van de hand. Ze beschouwt het eerder als een combinatie van onwetendheid – Richard Dawkins is bijvoorbeeld zoöloog en weet dus heel weinig van eencelligen – en dogma: Margulis ziet het neodarwinisme als een vorm van religie.
Heel gek is die vergelijking niet. Kritiek op de evolutietheorie werd al snel gezien als munitie voor hun felste tegenstanders, namelijk de creationisten die geloofden dat God de schepper van alles was, zegt Denis Noble, die het debat tussen Margulis en Dawkins modereerde. ‘Ik denk dat de neodarwinisten zich zo bedreigd voelden dat ze elke suggestie dat de moderne synthese niet voldeed, zagen als een soort ketterij.’
Margulis heeft zo haar eigen manier om met de weerstand om te gaan: onverschrokkenheid. Zij hekelt daarbij wel haar imago als rebel, omdat dat afleidt van haar inhoudelijke boodschap. Ze ziet haar ideeën helemaal niet als controversieel, benadrukt ze in een van haar laatste interviews, met tijdschrift Discover in 2011. ‘Ik beschouw ze vooral als juist.’
Het is de belangrijkste les van Margulis die Debashish Bhattacharya, hoogleraar gespecialiseerd in endosymbiose aan de Rutgers Universiteit in de VS, met al zijn studenten deelt. ‘Het is een hardnekkig misverstand dat wetenschappelijke kennis zich op magische wijze uitbreidt doordat er nieuwe ideeën en inzichten bijkomen. Wanneer je onorthodoxe ideeën hebt, zul je moeten argumenteren, vechten en volhouden. Dat is wat Margulis deed.’
Bhattacharya ontmoet Margulis tijdens zijn carrière twee keer. De eerste keer is wanneer ze tijdens een congres een receptie geeft bij haar thuis. ‘Ze was erg charmant en innemend, dat heeft volgens mij ook geholpen bij de uiteindelijke acceptatie van haar ideeën. Ze had een bijzondere energie en bevlogenheid.’
Die energie en bevlogenheid van Margulis hebben niet alleen een karakterologische oorsprong. Vanuit haar joodse achtergrond is ze zich zeer bewust van de link tussen het neodarwinistische gedachtegoed en de voor de oorlog in wetenschappelijke kringen immens populaire ‘eugenetica’ die de nazi’s op gruwelijke wijze in de praktijk brachten. Ook na 1945 is het denken over evolutie nog niet vrij van dergelijke denkbeelden, ze worden vooral anders verwoord. De grondlegger van het neodarwinisme, Julian Huxley, prijst tot in de jaren zestig zelfs de eugenetica. ‘Lynn zag het neodarwinisme bijna als misdadig’, zegt Noble. ‘Zij hekelde terecht dat evolutiebiologen elke verantwoordelijkheid voor de gruwelijkheden van de hand wezen. Maar haar felheid, haar houding alsof ze tegenover de duivel stond, die was af en toe ook wel problematisch.’
Margulis is dus een vrouw met een missie en ze kan de omgeving waarin ze opereert bij vlagen grondig zat zijn. Dan trekt ze zich terug en schrijft korte fictieve verhalen geïnspireerd op het werk van dichteres Emily Dickinson, in haar achtertuin in Amherst, Massachusetts, waar ze uiteindelijk komt te wonen. In een ander interview uit 2011, met podcaster Conner Habib, vertelt ze dat haar moeder vroeger voorlas uit I’m Nobody! Who Are You? De eerste zin van het gelijknamige gedicht luidt: ‘I’m Nobody! Who are you? Are you – Nobody – too? Then there’s a pair of us!’
Zo’n poëtische insteek duikt ook bij Margulis regelmatig op, met uitspraken als ‘in the arithmetic of life, one is always many’ en ‘one plus one equals one’. Ook in de thematiek van Dickinsons werk herkent Margulis zich. Centraal daarin staat het ontsnappen aan de verplichtingen en verwachtingen van het leven – met name die van een vrouw. Margulis besluit al snel dat ze naast haar werk en het opvoeden van haar kinderen het huishouden niet wil doen en weigert te voldoen aan het plaatje van de ‘perfecte moeder’.
Met de wetenschappelijke waardering voor Lynn Margulis komt het uiteindelijk goed. Ze wordt benoemd als lid van de National Academy of Sciences en ontvangt in 1999 de National Medal of Science. Regelmatig verschijnt ze nog op lijstjes met invloedrijke wetenschappers.
In het debat tussen Dawkins en Margulis dat in 2009 plaatsvindt, gaat het er fel aan toe. De opname van het gesprek toont dat de twee vooral veel langs elkaar heen praten en Denis Noble, die duidelijk sympathiseert met Margulis, moet af en toe zijn tong afbijten wanneer zij weer te ver afdwaalt van haar boodschap. Noble herinnert zich dat Dawkins kalm begon en erkende dat symbiogenese belangrijk is, maar dat hij steeds verhitter raakte en haar verhaal steeds belachelijker begon te maken. Op haar beurt zei Margulis: ‘Richard, je schrijft eigenlijk heel overtuigend. Je hebt een mooi, eenvoudig verhaal, je vertelt het extreem goed, het is alleen toevallig onjuist.’
Dawkins vraagt zich op een gegeven moment hardop af waarom je symbiogenese zou meenemen in je theorie over evolutie, aangezien volgens hem natuurlijke selectie en mutaties alles al verklaren. ‘Omdat het er is’, antwoordt Margulis.
Het is mede dankzij die volharding dat Margulis’ ideeën overeind blijven. Dertien jaar na haar dood is de symbiogenese-theorie van Margulis grotendeels wetenschappelijk geaccepteerd. Dit is onder meer te danken aan het bewijs dat bladgroenkorrels en mitochondria over ander dna beschikken dan er in de celkern van diezelfde cellen zit. Voor de eerste fusie tussen verschillende bacteriën waaruit onder meer de celkern zou zijn ontstaan is (nog) geen bewijs geleverd.
Opmerkelijk genoeg is de symbiogenese-theorie desondanks nog nauwelijks terug te vinden in medische en biologische tekstboeken, schrijft Denis Noble in 2021 samen met een collega. ‘De mainstream evolutiebiologen proberen nog altijd hun studenten en het algemene publiek ervan te overtuigen dat er niets is veranderd aan ons begrip van de evolutie.’
Daar staat tegenover dat ook de eigengereidheid van Margulis zelf tegen het einde van haar leven groteske vormen aanneemt. Overal ziet ze symbioses in – in haar boek The Symbiotic Planet uit 2008 geeft ze toe dat ze ondanks inhoudelijke kritiek van andere wetenschappers haar theorie bleef pushen. ‘Lynn was geneigd om dat allemaal te overdrijven’, zegt Noble. ‘Het heeft geen zin om te ontkennen dat er competitie en egoïstisch gedrag is in de natuur.’
Recente inzichten laten zien dat symbioses in allerlei vormen voorkomen – van ‘voor beide symbionten gunstig’, mutualisme geheten, voor één van de twee gunstig, parasitisme, tot voor beide symbionten ongunstig, concurrentie – en dat die vormen, met alles ertussenin, in de praktijk naast elkaar en door elkaar heen voorkomen. De betogen van Margulis en de neodarwinisten bevonden zich dus op de uitersten van het spectrum. Zoals evolutiebiologe Toby Kiers, hoogleraar aan de Vrije Universiteit en recent Spinozaprijs-winnares, schreef aan De Groene: ‘Ik hou van het woord samenwerking. Niet omdat het harmonie impliceert, maar het draait om geven en nemen. Conflict ligt aan de basis van elke samenwerking. Dat is niet iets slechts, het drijft innovatie in de evolutie.’
Een dieptepunt tijdens Margulis’ laatste levensfase is de stellige overtuiging die ze uitdraagt dat het hiv-virus niet bestaat en dat de ziekte die dit virus veroorzaakt, aids, een vervolgstadium is van syfilis. Syfilis wordt veroorzaakt door een bacterie, die volgens haar in het geval van aids zou zijn gefuseerd met menselijke cellen waardoor deze niet meer te detecteren is. Op dat moment is het bewijs voor het bestaan van het hiv-virus en de rol ervan in het ontstaan van aids al zeer solide. In 2007 noemt ze ook al eens de terroristische aanvallen op 11 september 2001 een inside job, net zoals in haar ogen de nazipartij betrokken was bij de brandstichting van het Rijksdaggebouw in 1933, met vergelijkbare motieven: machtsuitbreiding en rechtvaardiging van een buitenlandse oorlog.
Zoals Jerry Coyne, hoogleraar ecologie en evolutie aan de Universiteit van Chicago, kort na haar dood schreef op de website edge.org: ‘We zouden allemaal Margulis’ ware bijdragen aan de biologie moeten eren: haar erkenning en uitwerking van eerdere suggesties dat sommige cellulaire organellen werden verkregen door symbiose en dat de voorouders van deze organellen bacteriën waren. Maar laten we ook onthouden dat gelijk hebben over één grote zaak ons niet immuun maakt voor fouten in andere zaken, en dat wetenschappelijke roem ons geen vrijbrief geeft voor al onze ideeën.’
Het is vooral het bredere perspectief van Margulis’ verhaal dat de laatste jaren resoneert. Dat van een wereld vol symbioses, in contrast met dat van de individualistische selfish genes. Margulis zelf was gebiologeerd door een eencellige in de darmen van termieten, mixotricha paradoxa, die bestaat uit maar liefst vijf verschillende organismen: drie bacteriën op het oppervlak die onder meer trilharen vormen en minstens één soort die binnenin zit en het zuur produceert dat nodig is voor het verteren van houtvezels. Ook raakt ze niet uitgepraat over korstmossen, het bekendste voorbeeld van een symbiose: een schimmel vormt de behuizing van het korstmos en slaat water en mineralen op, die de algenpartner kan gebruiken. De schimmel produceert afweerstoffen en als tegenprestatie voorziet de alg zijn partner van suikers.
Lynn Margulis omschreef onszelf en andere dieren als ‘holobionten’, een combinatie van een organisme met alle microben en virussen die erin en erop leven. Dat idee werd de afgelopen tien jaar bekend dankzij een eindeloze stroom artikelen en boeken over het microbioom, met titels als I Contain Multitudes, de bestseller van wetenschapsjournalist Ed Yong.
Vanuit die samenwerkingsfilosofie haakte Margulis in de jaren zeventig aan bij de Britse ingenieur en onderzoeker James Lovelock, die voor de Nasa onderzocht welke voorwaarden er nodig waren voor leven op een planeet. Hij kwam met de zogeheten ‘Gaia-hypothese’. Die hypothese stelt dat het leven op aarde door alle processen die ze uitvoert de omstandigheden die nodig zijn voor datzelfde leven in stand houdt, waaronder de samenstelling van de lucht, de zuurgraad en het zoutgehalte van de oceanen. Een van Margulis’ voormalige leerlingen, Greg Hinkle, noemde het eens ‘symbiose zoals bezien vanuit de ruimte’. Ook deze hypothese werd fel bekritiseerd door Dawkins en co, omdat ze onder meer in zou gaan tegen, wederom, natuurlijke selectie. Toch heeft de systeembenadering van de aarde aan gezag gewonnen en in tijden van klimaatverandering wordt de Gaia-hypothese, vooral metaforisch, gebruikt om te waarschuwen voor de ontwrichtende invloed van de mensheid op de aarde.
Margulis’ waarschuwende woorden over de veronachtzaming van het symbiotische karakter van het leven vinden de laatste jaren weerklank. Zij sprak decennia geleden al over de mensheid als ‘menselijk onkruid’. In het jaar waarin Margulis overlijdt, introduceert de Australische filosoof Glenn Albrecht de term ‘symbioceen’: een tijdperk waarin we niet langer onszelf boven alle andere organismen en niet-levende elementen op aarde plaatsen, maar ernaast. Dat is in zekere zin een stap terug naar de premoderne tijd, toen de mensheid nog veel meer in balans was met al het andere om ons heen, maar hij pleit er niet voor om naar die situatie terug te gaan. ‘Wat mij betreft gaan we naar een symbioceen 2.0, mét gebruik van de moderne technieken die we tot onze beschikking hebben.’
Daarmee vindt hij Jos de Mul aan zijn zijde, die in zijn pas verschenen boek Welkom in het symbioceen benadrukt dat we al sinds mensenheugenis in het symbioceen leven. Alleen moeten we ons daar weer bewust van worden en die bewustwording omzetten in daden. Die daden liggen deels voor de hand, zoals het overschakelen op niet-fossiele brandstoffen, minder vlees eten, minder consumeren en minder voortplanten, maar het zou volgens hem ook moeten draaien om het ‘uitbreiden van ideeën van politiek en rechtvaardigheid in de richting van het niet-menselijke levende en het levenloze’, bijvoorbeeld door het erkennen van de rechten van dieren, rivieren en andere kwetsbare ecosystemen.
Albrecht hoopt een visie te schetsen die niet utopisch is, maar haalbaar. Juist het in stand houden van de huidige parasitaire manier van doen is volgens hem utopisch. Albrecht pleit voor een symbiotisch kapitalisme. Waarin innovaties worden beloond die niet ten koste gaan van (het leven op) de aarde, maar gericht zijn op die symbioses. ‘We stoppen nog heel veel subsidie in het antropoceen, terwijl dat juist zou moeten verdwijnen. Perverse veerkracht, noemen we dat.’
Tijdens een excursie van het Instituut voor Natuureducatie en Duurzaamheid enkele jaren geleden hoort socioloog Marian Stuiver van de Universiteit Utrecht voor het eerst over korstmossen. ‘Mij is niet alleen bijgebleven dat het een symbiose is, maar ook dat korstmossen heel kwetsbaar zijn en de staat waarin ze verkeren veel zegt over hoe gezond de omgeving is.’ Stuiver begint zich te verdiepen in het werk van Albrecht en Margulis. Ze is dan net bezig na te denken over hoe we de mens-natuurrelatie in de stad kunnen verbeteren. In 2022 publiceert ze het boek The Symbiotic City. ‘Wat goed of slecht is voor planten en dieren is dat vaak ook voor ons, realiseren wij ons nu’, zegt Stuiver.
In juni 2024 organiseert hoogleraar Remco Kort in het Amsterdamse dierenpark Artis samen met Marian Stuiver een workshop over dit idee. Groepjes van professionals met uiteenlopende achtergronden krijgen een stukje stad toebedeeld – van het Centraal Station tot de Indische Buurt en van de grachtengordel tot de parkeerplaats van Artis – en schetsen hoe dat er wat hen betreft uit zou moeten zien in 2074. Met behulp van kunstmatige intelligentie verwerkt een ontwerpbureau hun input in beeld.
Tot september sieren deze weelderige, groene toekomstplaatjes een wand in het Groote Museum bij de dierentuin. Autowegen hebben plaatsgemaakt voor kronkelpaden langs mos en struikgewas, wandelaars hiken van dakterras naar dakterras. De expositie past naadloos in de collectie van het museum, waar je soms je gesprek even moet afbreken omdat de natuur-soundscapes je overstemmen. Ontwerper Pablo Lamar liet zich inspireren door de Franse negentiende-eeuwse dichter Victor Hugo, die zei: ‘Het is triest je te realiseren dat de natuur spreekt, maar de mensheid niet luistert.’

Het museum dwingt de bezoeker opnieuw te kijken naar onze verhouding tot de rest van alles op aarde – net zoals Lynn Margulis ons duidelijk probeert te maken dat wij deel uitmaken van de netwerken van organismen. ‘De plek die we onszelf hebben gegeven boven aan de piramide heeft ons in de problemen gebracht’, zegt museumdirecteur Karlien Pijnenborg. Waar Artis lang bekend stond als een verzameling betonnen kolossen, is het tegenwoordig een groene hub in de opwarmende stad. ‘Laatst was ik weer eens op het Museumplein en realiseerde ik me dat het niet overal in de stad is zoals hier’, zegt Pijnenborg. ‘Maar ik ben ervan overtuigd dat de meeste mensen uiteindelijk meer groen willen.’
Tegelijk erkent Pijnenborg dat niet elk tijdens de workshop uitgewerkt idee even realistisch is. Ook Marian Stuiver erkent dat een stad vol natuur geen paradijs op aarde is: ‘Ook een stad met veel natuur heeft nadelen. Het gaat altijd om de balans.’
Zelfs buiten de biologie beginnen denkers zich onder invloed van Margulis’ radicale gedachtegoed af te wenden van de focus op zelfzuchtigheid en competitie, merkt Denis Noble. Daar waar de afgelopen decennia de selfish genes en het neodarwinisme golden als inspiratie voor de metaforen én rekenmodellen van economen, zien ook die de grenzen van dat denken. Noble zelf heeft veel contact met Oxford-econoom Colin Mayer, die in 2023 het boek Capitalism and Crises publiceerde. Daarin verwijst hij onder meer naar het werk van Denis Noble over complexe biologische systemen en pleit hij voor een kapitalisme waarin alleen producten en diensten bestaansrecht hebben die oplossingen bieden zonder negatieve neveneffecten op mens en milieu – als een balans tussen louter concurrentie en louter mutualisme. ‘Economen realiseren zich steeds meer dat het neodarwinisme is overgeslagen op hun vakgebied, en wel zozeer dat de zwaktes zijn blootgelegd’, zegt Noble. ‘Regeringen hebben uiteindelijk op grote schaal moeten ingrijpen, wat natuurlijk precies het tegenovergestelde is van wat de neoliberalen willen.’
Zo laten werk en leven van Lynn Margulis zien dat er soms radicale ideeën nodig zijn om het denken over een onderwerp daadwerkelijk te doen kantelen – of het nu over de functie en architectuur van steden gaat, over onze positie ten opzichte van het andere leven op aarde, of over de drijvende krachten achter de evolutie.